jeroen_d schreef:
Nee, klopt echt niet wat je hier beweert. Doordat de geluidsdruk van de speakers coherent optelt heb je akoestisch +6dB vermogenswinst tov een enkele driver, NIET +3dB. Ik haal niets door elkaar??? ...
sorry maar je verhaal klopt toch echt niet. Het is ongeveer hetzelfde als beweren 1+1=4 waar ik zeg dat 1+1=2. Natuurlijk is het iets wat ik 'beweer' maar als jij tegen elke logica in wilt beweren dat 2 bronnen bij elkaar opgeteld 6dB meer geluidsdruk geven moet je toch op zijn minst even een linkje geven. Edit:
ik begrijp nu waar je dit vandaan haalt; maar het is een uitzonderingsgeval waar een paar woofers niet voor in aanmerking komt.
wikipedia schreef:
Bij optelling van twee verschillende geluiden, kan het totale niveau nooit meer zijn dan 3 dB boven de hoogste van de twee geluidniveaus. Als er echter een fase relatie (correlatie) is tussen de twee geluidbronnen, dan kan het totale niveau maximaal 6 dB hoger zijn dan de hoogste van de twee waarden.
Gecorreleerde bronnen
Midden tussen twee luidsprekers die hetzelfde geluid in fase uitzenden, is de geluidsdruk het dubbele van de geluidsdruk van elke luidspreker afzonderlijk. De geluidsintensiteit is dan 4 keer zo groot als van een van de luidsprekers. Het geluidsniveau ligt dus ca. 6 dB hoger dan het niveau van één luidspreker. Zijn de luidsprekers in tegenfase dan hoort men niets (dit is een voorbeeld van antigeluid). Als de luidsprekers een zuivere sinustoon laten horen, zal er in de ruimte er omheen een interferentiepatroon ontstaan met punten waar het geluiddsniveau 0 is en punten waar het geluidsniveau 6 dB hoger is dan de niveaus van de afzonderlijke luidsprekers.
Onze luidsprekers voldoen niet aan de rood gemarkeerde criteria.
Serieel geschakelde drivers kun je nooit in fase krijgen.
En ook niet aan de volgende
verzwegen criteria:
dit geld alleen voor een dode ruimte of open veld
we hebben alleen te maken met puntbronnen
Ten eerste maak je geen luidsprekers om sinussen weer te geven maar muziek van diverse frequenties en dus zul je per frequentie een wisselend interferentiepatroon krijgen. Ten tweede hebben vooral basdrivers een groot oppervlak waardoor bwvs de bovente helft van de ene conus al interfereert met de bovenste helft van de onderste conus. Alleen op het equidistant vlak dat de beide drivers scheidt geldt +6dB, op alle andere punten zul je een snel wisselend interferentiepatroon krijgen wat per frequentie veranderd en bovendien ook nog eens vermengd wordt met diverse ruimte reflecties en nagalm.
Als jij op je knieen op gelijke hoogte voor je basspeakers naar sinussen wilt luisteren, wie ben ik om je daarvan af te houden.

Maar de zeer beperkte uitzondering voor optelling van gecorelleerde bronnen is puur theoretisch waarbij we in de praktijk nooit aan de voorwaarden kunnen of willen voldoen.
jeroen_d schreef:
Nee, klopt echt niet wat je hier beweert...
De speakers in serie daar loopt de halve stroom doorheen én je hebt de halve spanning. Dus elektrisch per speaker -6dB. De twee speakers tellen dan samen op tot 0dB, omdat er akoestisch gezien +6dB aan vermogenswinst is.
een zgn argumentum ad ignorantium (
heb ik ook net geleerd hoor) Je wilt bij 0dB uitkomen (wat juist is) maar je verdoezelt de ene fout met de andere. Je zegt 'per luidspreker'. Maar je moet ze ook elektrisch bij elkaar optellen. Als er 1W door de ene gaat gaat er ook 1W door de andere. In het geval van 1 driver aansturen zou je namelijk 4W gebruiken (1/een kwart per driver). Dat is dus bij elkaar wèl 2W elektrisch vermogen; dus de helft =-3dB.
Maargoed, het resultaat waar we allebei op uitkomen is dus 0dB winst voor 2 drivers serieel schakelen.
nog even iets anders wat als voordeel geldt van dubbele drivers: zoals gezegd nog even over de verhouding oppervlak van de conus en vervorming. Vervorming wordt oa, veroorzaakt door doorbuiging van de relatief dunne conus. Hoe minder de conus doorbuigt en nazwabbert en trilt hoe minder de vervorming. Zoals gezegd: door meerdere drivers te gebruiken krijg je meer oppervlak, of de diameter kan kleiner met de verhouding wortel 2 (kwadratisch met de straal).
De doorbuiging gaat echter tot de 4e macht van de straal. Ik quote maar weer van wikipedia
want je moet mij nooit op mijn woord geloven natuurlijk... Ik bedoel, dat is makkelijker...
wikipedia schreef:Het oppervlaktetraagheidsmoment, foutief ook wel kortweg '
traagheidsmoment' genoemd, is een eigenschap van constructiedelen die de weerstand tegen doorbuiging in een bepaalde richting bepaalt. Het oppervlaktetraagheidsmoment I (dimensie m4) wordt gebruikt bij sterkteberekeningen aan constructies. ...
Het oppervlaktetraagheidsmoment van een object is uitsluitend afhankelijk van zijn vorm en afmetingen en niet van het toegepaste materiaal.
Voor een tweedimensionaal object
(dwz doorsnede vd conus: ]eep) is het oppervlaktetraagheidsmoment als volgt gedefinieerd:
In onderstaande voorbeelden is r telkens de afstand tot het zwaartepunt. Met behulp van de Stelling van Steiner kan het moment rond een willekeurige as berekend worden.
De doorbuiging is dan
fB = F·L^3 / (3·E·I)
f=doorbuiging
F=kracht
E=elesticiteitsmodulus van het materiaal
I=opp.weerstandsmoment
Daarbij moet in aanmerking genomen worden dat de conus rond is en de belasting op de doorsnede vanaf de spreekspoel naar buiten kwadratisch oploopt, maar de breedte
van de doorsnede loopt ook lineair op. De doorbuiging loopt dus ^4 op.
Als je de konus dikker en dus zwaarder maakt maak je het opp.weerstandsmoment met ^3 groter en je massa ^2. Dan loopt dus je massa ^2 harder op dan je doorsnede.
Als het ware een taartpunt die je op het puntje vasthoud. Hoe groter de conus hoe groter de taartpunt. Je voelt al wel aan: hoe groter de taartpunt hoe groter de rotzooi.
Resultaat: of je krijgt vervorming en minder goed transientgedrag (versmeerd), of (als je de conus verstevigd) minder in het hoog doorlopend frequentiebereik en tragere transienten. En dus lagere FR maar dat kan weer een voordeel zijn.