Deftige meetopstelling voor luisprekerparameters
Geplaatst: zo 28 apr 2024, 12:40
Ik ben al een hele tijd niet tevreden met de manier waarop ik thuis luidsprekerparameters kan meten. Ik gebruik het welbekende LIMP in combinatie met een meetdoosje, maar dat heeft een paar problemen, in willekeurige volgorde:
De meting was nogal "camping style" en dus niet al te betrouwbaar, maar het proof of concept was geleverd. Ik liep tegen wat beperkingen aan. Zo heb ik een prima oscilloscoop, maar als data acquisitie frontend voor deze specifieke toepassing is het ding ongeschikt. Ideaal zou zo'n DAQ zijn speciaal voor trillingsanalyse. Na een marktverkenning bleken ze erg duur te zijn (2k plus). Dat ging dus niet gebeuren. Of toch wel?
Fijn, maar wat heb ik nog meer nodig om netjes te meten? Afgelopen jaar heb ik spulletjes bij elkaar gesprokkeld en dat leverde het volgende op:
Bij het meten aan de SB zag ik toch nog wat knikjes in het profiel van de conusuitwijking. Uiteraard is het onvermijdelijk dat een meetopstelling wat eigentrillingen heeft, en daar is in de IEC 60268-22 standaard ook rekening mee gehouden: de trillingen van de opstelling moeten minstens 20 dB onder de trillingen van de conus blijven. Je ziet al aankomen dat, hoe groter de Mms van de driver, hoe uitdagender dit wordt. Hier komt de acclerometer om de hoek kijken. Deze zit op het hoekprofiel achter de LDS, om zo te kunnen kijken of de eigentrillingen van de opstelling inderdaad beneden de gestelde -20 dB blijven en eventueel het meetresultaat te compenseren voor deze trillingen. Alle 4 kanalen van de DAQ zijn nu in gebruik. De SB heeft een Mms van zo'n 50 g, en de eis is dat de opstelling een Mms tot 300 gram (Dayton Ultimax) aankan. Om bij zo'n zware conus de eigentrillingen beneden de -20 dB te houden, moet bij de SB de eigentrilling van de opstelling beneden de -36 dB blijven. En toen werd het spannend: Hierin is de doorlopende groene lijn aan de bovenkant de conussnelheid (gedifferentieerde uitwijking zoals gemeten door de LDS), en de grillige groene lijn de snelheid van de meetkop (geïntegreerde versnelling zoals gemeten door de accelerometer). De groene stippellijn is de -36 dB grens, en de blauwe stippellijn de modelfit. Gelukkig, geslaagd!
- Zowel de "added mass" als de "closed box" methode gaan ervan uit dat de ophanging zich gedraagt als een ideale veer, en dat is niet zo. In de praktijk verslapt de ophanging bij het lager worden van de frequentie, waardoor de bepaling van Mms een onbekende fout krijgt.
- Niet alle conussen reageren even vriendelijk op het toevoegen van massa. Een kwetsbare papieren conus van bijvoorbeeld een "vintage" driver of een efficiënte breedbander kan beschadigd raken wanneer je de massa voldoende stevig aanbrengt.
- Een box timmeren voor elke speaker die ik wil meten zie ik ook niet zitten, bovendien is het effectieve volume daarvan vaak lastig te bepalen, hoe nauwkeurig je ook werkt.
- IEC 60268-5 schrijft voor: "A constant voltage or current shall be applied, the former usually being preferred". De methode geluidskaart + LIMP zit een beetje tussen beide in, met een (noodzakelijk) vrij grote meetweerstand. Dit is niet representatief voor gebruik met een versterker, die zich meestal als spanningsbron gedraagt.
- Een meting in het mechanische domein staat dichter bij wat de luidspreker echt doet, maar bij gebrek aan een meetsignaal in dat domein moet alles worden teruggerekend uit de impedantie. En die omrekening is weer gebaseerd op een onvolledig theoretisch model.
De meting was nogal "camping style" en dus niet al te betrouwbaar, maar het proof of concept was geleverd. Ik liep tegen wat beperkingen aan. Zo heb ik een prima oscilloscoop, maar als data acquisitie frontend voor deze specifieke toepassing is het ding ongeschikt. Ideaal zou zo'n DAQ zijn speciaal voor trillingsanalyse. Na een marktverkenning bleken ze erg duur te zijn (2k plus). Dat ging dus niet gebeuren. Of toch wel?
Fijn, maar wat heb ik nog meer nodig om netjes te meten? Afgelopen jaar heb ik spulletjes bij elkaar gesprokkeld en dat leverde het volgende op:
- Een versterker. In de buurt kon ik voor weinig een Behringer Europower 1500 oppikken, en die is ideaal voor deze toepassing. Lekker robuust, veel vermogen, door ontwerp niet in staat om een speaker te slopen met DC, en de uitgangen beschikbaar op zowel Speakon als banaanstekkers.
- Een meetdoosje met een zwevende spannings- en stroommeting om een vierpuntsmeting te kunnen doen. Ik heb dat zelf gemaakt op basis van een 0,1 Ohm shunt en twee instrumentatieversterkers. Het meet vlak van DC tot > 1 MHz, dus voor deze toepassing is het prima geschikt.
- Een paar mooie zwaluwstaart rails om de meetkop te positioneren.
Bij het meten aan de SB zag ik toch nog wat knikjes in het profiel van de conusuitwijking. Uiteraard is het onvermijdelijk dat een meetopstelling wat eigentrillingen heeft, en daar is in de IEC 60268-22 standaard ook rekening mee gehouden: de trillingen van de opstelling moeten minstens 20 dB onder de trillingen van de conus blijven. Je ziet al aankomen dat, hoe groter de Mms van de driver, hoe uitdagender dit wordt. Hier komt de acclerometer om de hoek kijken. Deze zit op het hoekprofiel achter de LDS, om zo te kunnen kijken of de eigentrillingen van de opstelling inderdaad beneden de gestelde -20 dB blijven en eventueel het meetresultaat te compenseren voor deze trillingen. Alle 4 kanalen van de DAQ zijn nu in gebruik. De SB heeft een Mms van zo'n 50 g, en de eis is dat de opstelling een Mms tot 300 gram (Dayton Ultimax) aankan. Om bij zo'n zware conus de eigentrillingen beneden de -20 dB te houden, moet bij de SB de eigentrilling van de opstelling beneden de -36 dB blijven. En toen werd het spannend: Hierin is de doorlopende groene lijn aan de bovenkant de conussnelheid (gedifferentieerde uitwijking zoals gemeten door de LDS), en de grillige groene lijn de snelheid van de meetkop (geïntegreerde versnelling zoals gemeten door de accelerometer). De groene stippellijn is de -36 dB grens, en de blauwe stippellijn de modelfit. Gelukkig, geslaagd!