Ik had het idee om eens wat te gaan experimenteren met de supertriode configuratie op mijn KT88 monoblokken, als alternatief voor de global NFB. Door de informatie op het Net lopend, kom ik al bij de website van Menno van der Veen een wat vreemde tegenstrijdigheid tegen. Hij gebruikt namelijk 2 lokale feedback methoden met deze zelfde benaming:
- De 'originele' versie in de projectversterker die gebuikt maakt van kathode tegenkoppeling op de eindbuizen;
- de modificatie van de UL40S2 maakt gebuik van een tegenkoppeling tussen anode en stuurrooster van de eindbuizen. In zijn toelichting motiveert hij deze andere methode met de opmerking dat de UL40S2 uitgangstrafo's geen wikkeling hebben voor de kathode tegenkoppeling.
Wat mij nu verbaast: de originele tranformator van de projectversterker had deze wikkeling ook helemaal niet:

wat hem kennlijk niet verhinderde de secundaire kant van de trafo als zodanig te gebruiken. Ik wilde deze methode eigenlijk gewoon eens proberen, maar word nu door de opmerking van Menno aan het twijfelen gebracht. De anode feedback methode is wat meer rekenwerk want bijvoorbeeld afhankelijk van de uitgangsimpedantie van de fasedraaier, en ook gezien de constructie van mijn versterkers wat lastig aan te brengen. Voordeel zou zijn: als je op strategische plaatsen regelpots aanbrengt, is de versterker perfect in balans, met de meest minimale vervorming en brom af te regelen met de scope.
Kan hier iemand zijn licht over laten schijnen?
Jan Geert
Oh ja, het schema van mijn versterkers:
