Timmes schreef:Ik heb nog een hoop te leren...
Wie niet! Ik in ieder geval wel, en als ik dan denk een onderwerp wel "door" te hebben dan komt er weer zo'n "kanon van kennis" langs die al mijn zekerheden weer omverblaast
Als ik het goed begrijp is single ended dus zoiets als klasse A voor buizen?
Ja en nee, je zit in de richting.
Veelal volgt er nu een uitleg met grafiekjes en biasstromen enzo, ik doe het eens anders (ietwat versimpeld, oude rotten svp erger je niet!):
Klasse A houdt in dat een versterkend device (transistor, buis, MOSFET, IC) het aangeboden signaal over de volle 360 graden versterkt.
Klasse B houdt in dat de devices het signaal over 180 graden versterken, dus de helft.
Dat impliceert dat een B-schakeling altijd twee devices nodig heeft.
Bij buizen is dat dus de push pull schakeling, bij transistoren heet dat doorgaans de complementaire schakeling.
NB bij transistoren is de zaak iets makkelijker, omdat er twee sexen zijn: NPN en PNP.
Bij buizen is er maar 1 soort, dus deze hermafrodiet moet in push pull altijd worden voorafgegaan door een fazedraaier.
Nog even terug naar single ended (SE) en klasse A: omdat er nu maar 1 device het werk doet, moet ze dus noodzakelijk over 360 graden versterken, en dus in A staan.
Klasse A impliceert het "in het midden" staan van de rustinstelling in de karakteristiek.
En dat betekent weer dat er een relatief hoge ruststroom loopt, die bij uitsturen niet tot nauwelijks zal afwijken.
De stroom die de device niet neemt, vloeit in de belasting.
Dat geldt voor alle devices, dus buizen, transistors (BJT), (MOS)Fets, IGBTs en wat dies meer zij.
Een gewone transistor wordt BJT genoemd (Bipolar Junction Transistor) en wordt met stroom gestuurd, een (MOS)FET is unipolair ((Metal Oxide Semiconductor) Field Effect Transistor.
De werking van de laatste lijkt wel een beetje op die van een buis, omdat het spanningsgestuurde elementen zijn.
Push pull- of balansschakelingen (of complementair bij de transistors) kunnen trouwens ook in klasse A staan.
Elke device verwerkt dan het signaal ook over 360 graden, waardoor de overname- of crossover vervorming op het overnamepunt van de twee devices wordt voorkomen.
Het is tevens een inefficiënte methode van versterken, want ook hier is de ruststroom weer hoog, en de warmtedissipatie (eigen verbruik) dus ook.
Een tussenstap tussen A en B wordt ook wel klasse AB genoemd, omdat de devices iets meer dan 180 graden in geleiding worden gezet.
Klasse AB is eigenlijk gelijk gesteld aan B, maar dan met iets ruststroom.
"Echte" klasse B heeft nul ruststroom, maar komt zelden voor.
Die ruststroom legt men aan omdat de devices niet lineair zijn, de karakteristieken lopen gekromd aan de uiteinden.
Door iets stroom te laten vloeien, komt met net uit het niet-lineaire gebied en is de vervorming lager.
Dan is er nog klasse C, dan staat de device "afgeknepen", dwz. er moet een flinke spanning of stroompiek worden aangeboden voordat ze opengaat.
Dat komt alleen maar in de RF techniek voor bij (FM) zenders, maar wordt al verdrongen door klasse E (een schakelende variant).
In audio kennen we verder nog klasse G en H, waarbij resp. de voedingsspanningen worden meegeschakeld of traploos meegestuurd al naar gelang de uitsturing.
Dat komt veel voor in de PA of SR wereld (PA= Public Address, SR = Sound Reinforcement), waar rendement pas echt belangrijk wordt.
Dan de veelgeroemde klasse D (Hypex) en klasse T (Tripath) versterkers, die, ondanks populair taalgebruik, niet digitaal zijn.
Het zijn snelle schakelaars, die op een zeer hoogfrequente draaggolf nonstop staan te schakelen.
Dat doen ze met MOSFETs, die weinig verlies kennen.
Het audiosignaal wordt daarop gemoduleerd (in PWM, Pulse Width Modulation, dus het audiosignaal verandert de pulsbreedte van het RF signaal), waarna het aan de uitgang door filters en/of tegenkoppeling weer wordt ontdaan van RF resten.
Dat zijn zeer efficiënte versterkers, rendementen van 90 % of nog hoger zijn geen zeldzaamheid.
Hehe, op mijn praatstoel vanavond

Ik moet daar ergens nog mooie plaatjes van hebben..............