Goed, even wat vingeroefeningen dan maar, eens kijken of ik die buizenmaterie een beetje machtig begin te worden. Ik zit namelijk nog steeds te broeden op een nette klasse-A single-ended versterker met één of twee 6C33 buizen, die laatste variant zou overigens ook prima voldoen als bijzetkachel voor in de winter.
En waar begin je dan mee? Juist, het bestuderen van de datasheet en dan vooral door goed te kijken naar de 'typical operating conditions' en de 'maximum operating conditions', immers ergens tussen die twee is ongetwijfeld een 'operating point' te vinden dat goed aansluit bij m'n wensen. Dus laten we eerst eens een blik werken op de datasheet:
Welke parameter is bij een buizenversterker van cruciaal belang? Da's uiteraard de dissipatie, immers als je de buizen dusdanig zwaar belast dat ze tegen het maximum van hun kunnen aanzitten dan is een dergelijke buis geen lang leven beschoren. Maar dissipatie heeft natuurlijk meerdere gezichten. Voor wat betreft een eindbuis is een buizenversterker is er
ruststroom dissipatie, feitelijk de dissipatie bij afwezigheid van signaal, dus simpelweg de anode-stroom * anode voltage (P=V*I). De
instantane dissipatie, feitelijk het product van de dissipatie veroorzaakt door het aangeboden signaal wederom door anode-stroom * anode voltage (P=V*I) en er is de
gemiddelde dissipatie en da's de som van de ruststroom dissipatie en de instantane dissipatie. Uiteraard is het belangrijk ervoor te zorgen dat in het laatste geval deze som niet hoger uitkomt dan de maximale dissipatie van de buis.
In mijn specifieke geval wil ik de eindbuis in klasse-A gaan schakelen en ik ben dus helemaal niet geinteresseerd in instantane dissipatie want bij een klasse-A versterker neemt de dissipatie
af wanneer de uitsturing toeneemt. Immers de versterker gaat nu meer stroom leveren aan de belasting en omdat de stroom door de eindbuis vaststaat blijft er dus netto minder stroom over om de eindbuis op te warmen. Kortom, bij een klasse-A instelling wordt de maximale dissipatie nooit groter dan zoals volgt uit de instelling van de ruststroom volgens anode-stroom * anode voltage (P=V*I).
Kortom, welke instelling geven we de eindbuis om een optimum te vinden tussen ruststroom, maximale dissipatie, maar ook belangrijk levensduur? Voor de 6C33 volgt uit de datasheet dat de maximale dissipatie 60W bedraagt wanneer beide triodes gebruikt worden (de 6C33 is een dubbeltriode) en dat was ik uiteraard wel van plan. Als we de datasheet wat verder doorspitten blijkt dat voor die 60W een levensduur van ~750 uur geldt bij anode voltages kleiner of gelijk aan 250V. Da's pakweg een jaar gebruik als we elke dag twee uur muziek luisteren, met als kanttekening een betrouwbaarheid die ietwat twijfelachtig is.
Liefst zou ik dat naar een paar duizend uur oprekken en tegelijkertijd ook de betrouwbaarheid verbeteren. Gelukkig biedt de datasheet ook daarvoor perspectieven. Bij 45W wordt 3000 uur gehaald met een uitstekende betrouwbaarheid, da's dik vier jaar lang elke dag twee uren luisteren. Daarmee is helder dat dat een prima vertrekpunt is voor wat betreft de maximale anode spanning en stroom, immers voor de anodespanning geldt dat deze niet hoger mag zijn dan 250V en dat voor het product van de anodespanning en -stroom geldt dat dit niet groter mag zijn dan 45W.
Met deze wetenschap kunnen we lekker gaan tekenen in de anode grafiek van de 6C33, immers, het instelpunt ligt op de grafiek waarvoor geldt P=V*I > 45=V*I, kortom, één van de volgende punten:
V=240 > I=188mA
V=220 > I=205mA
V=200 > I=225mA
V=180 > I=250mA
V=160 > I=280mA
V=140 > I=320mA
V=120 > I=375mA
De volgende stap is dan te kijken welk van deze punten een optimum biedt voor wat betreft benodigde uitstuurruimte van de voortrap, de vervorming, en uiteraard ook niet onbelangrijk, de andere specificaties, zoals negatieve roosterspanning, etc. etc.