Leuke vraag. Ik denk dat het antwoord verschilt per 'school' van het ontwerpen.
Ik weet nog heel goed dat Tony Gee bij de presentatie van zijn L'Ofreo luidsprekers - met fibonacci-reeks schotten op de achterwand, deels gevuld met dempmateriaal - geluisterd had naar het effect van een interne helmholz resonator (bas absorber). Zijn luisterervaring was, als ik het goed onthouden heb, dat het meettechnisch beter was maar minder levendig klonk en daarom geskipt is in zijn uiteindelijke ontwerp.
Mundorf heeft tegenwoordig slechter metende AMT's in de verkoop, zeker gelet op de burst decay's etc. en dat is bewust gedaan. Ze kwamen er achter dat het geluid toch wat tam geworden was met de meettechnisch optimale hoeveelheid dempmateriaal achter het membraan.
Je stelt dat elektronisch of akoestisch corrigeren op elkaar lijkt. Ik denk het niet, als jij een driver een dip geeft in een bepaald gebied omdat de kast met vertraging er nog een periode als som bij laat invullen - dus uiteindelijk vlak - vind ik dat je heel anders bezig bent dan dat een driver gewoon een egaal frequentieverloop heeft en dat er vanuit de kast geen storende tonen door het membraan/de conus heen hoorbaar/meetbaar zijn. Het grote verschil is volgens mij iets met (niet-)lineariteiten en overdemping. Wanneer de demping optimaal is kan het best zijn dat er nog een kleine storende resonantie zichtbaar is. Die zou ik dan elektronisch corrigeren. Een kast zo vol stoppen met dempmateriaal dat er geen resonantie meer zichtbaar is, vind ik een bedenkelijke methode.
Ik zou geloof ik het uitslingergedrag als uitgangspunt nemen voor de algemene hoeveelheid demping in een kast. En de storende tonen op een meer specifieke manier aanpakken, elektrisch of met een IHA. Uit het onderzoek van Chris T bij zijn wedstrijd TL speakers bleek dat de Q-waarde van een IHA dramatisch veel lager is dan theoretisch/wenselijk.
Kortom; leuk draadje dit!
Ik blijf het volgen