Uitgangstrafo's (UGT) voor buizenversterkers meten.
Geplaatst: za 22 feb 2014, 18:28
De uitgangstransformator (UGT) of OPT (outputtransformer) is een belangrijke factor voor de kwaliteit van een buizenversterker.
Een UGT is in principe een "gewone" trafo geschikt voor een grotere bandbreedte.
De werking is het best te verklaren aan de hand van betrekkelijk eenvoudige modellen, zie voor meer theorie bijv. http://en.wikipedia.org/wiki/Transformer.
De basisopzet: Np is het aantal primaire wikkelingen en Ns de secundaire.
We beperken ons tot trafo's die de spanning omlaag transformeren dus met n=Np/Ns ≥ 1.
Lp en Ls zijn de zelfinducties van de gekoppelde spoelen en n²=Lp/Ls.
Rip en Ris zijn de gelijkstroomweerstanden van de wikkelingen en kan je gewoon meten met een Ω-meter.
Lp is zeer groot: enkele Henry's tot honderden en vrijwel niet nauwkeurig te meten met een LCR-meter, maar kan wel een groffe indicatie geven.
Nauwkeuriger kan je Lp bepalen door een bekende wisselspanning (bijv. 24Vac/50Hz van een andere trafo) primair aan te sluiten (secundair open) en de wisselstroom te meten.
Ip is dan Vp/(Rip+2π.f.Lp) en Lp=(Vp/Ip-Rip)/2π.f.
Meet je bijv. 7m4A bij 24V/50Hz en Rip=100Ω dan is Lp (24/7m4-100)/314=10H.
Meet ook meteen Vs, want n=Vp/Vs!
Cip is de capaciteit van de wikkelingen en is alleen bij hogere frequenties te meten.
Lsp is de strooi-, lek- of koppel-inductie en een belangrijk kenmerk voor de kwaliteit van de trafo en kan goed met een LCR-meter gemeten worden aan de primaire kant met de secundaire wikkeling kortgesloten.
De koppelingsfactor K=√(1-Lsp/Lp), deze is ≤ 1.
Door alles om te rekenen met de impedantie-factor n² naar de primaire zijde wordt de werking nog duidelijker: Het gaat bij UGT's natuurlijk om de bandbreedte en als je ze zou aansturen met een "keiharde" spanningsbron, valt die in het laag reuze mee, zie OPT1.
De laagdoorlaatfrequentie fl is dan Rip/2π.Lp en hier dus 1,6 Hz (!) maar er loopt dan wel bijna 1A bij 100V, 100W dus.
De hoogaffrequentie fh is n²(Ris+Rls)/2π.Lsp en hier 14,3 kHz.
Een buis is niet bepaald een harde spanningsbron maar een (spanningsgestuurde) stroombron met een hoge Ri, wat wel weer gunstig is voor het hoog, zie OPT2.
Dankzij de opslingering bij 1/2π.√(Lsp.Cip)≈15kHz ligt fh boven 20kHz.
Het laag wordt een stuk slechter en is nu n²(Ris+Rls)/2π.Lp = 143 Hz.
Tot zover het lineaire gedrag van de UGT, maar een ander belangrijk gegeven is de verzadiging (saturation) van de kern, want die zorgt voor veel vervorming en bepaald het uitgangsvermogen.
De kern kan maar een zekere hoeveelheid magnetische fluxdichtheid B (in Tesla) hebben, voor weekijzer maximaal 1 à 2 T.
De magnetische fluxdichtheid of inductie B=Vp/(2π.f.A.Np), waarin A het effectieve oppervlakte van het magnetisch materiaal is.
B is frequentie-afhankelijk en zal bij hoge frequenties wel meevallen, dus bepalen we die bij een lage frequentie van bijv. 50Hz.
Primair is de spanning waarbij de kern in de verzadiging raakt honderden Volts en dus kunnen we deze beter secundair meten.
Je sluit een Variac of flinke (transistor)versterker aan op de secundaire wikkeling (primair open, pas op HV!) en meet de wisselstroom bij 50Hz, als je de spanning opvoert zal de stroom evenredig toenemen.
In ons voorbeeld bedraagt de wisselstroomweerstand Ris+ 2π.f.Ls=1+314*10m≈4Ω en als je er 2V opzet, moet er dus 0A5 lopen, bij 4V 1A enz., maar ineens zal de stroom teveel oplopen en zie je bijv. bij 10V 2A7 ipv. 2A5.
De kern raakt dan verzadigd bij ca. 10V secundair en dus n.Vs=316V primair.
We weten nu meteen het maximale uitgangsvermogen bij 9V in 8Ω bij 50Hz en rekening houdend met het verlies in Ris dus 8W.
Hier zie je wat er gebeurt bij kernverzadiging: Groen is niet verzadigd en blauw wel.
Een UGT is in principe een "gewone" trafo geschikt voor een grotere bandbreedte.
De werking is het best te verklaren aan de hand van betrekkelijk eenvoudige modellen, zie voor meer theorie bijv. http://en.wikipedia.org/wiki/Transformer.
De basisopzet: Np is het aantal primaire wikkelingen en Ns de secundaire.
We beperken ons tot trafo's die de spanning omlaag transformeren dus met n=Np/Ns ≥ 1.
Lp en Ls zijn de zelfinducties van de gekoppelde spoelen en n²=Lp/Ls.
Rip en Ris zijn de gelijkstroomweerstanden van de wikkelingen en kan je gewoon meten met een Ω-meter.
Lp is zeer groot: enkele Henry's tot honderden en vrijwel niet nauwkeurig te meten met een LCR-meter, maar kan wel een groffe indicatie geven.
Nauwkeuriger kan je Lp bepalen door een bekende wisselspanning (bijv. 24Vac/50Hz van een andere trafo) primair aan te sluiten (secundair open) en de wisselstroom te meten.
Ip is dan Vp/(Rip+2π.f.Lp) en Lp=(Vp/Ip-Rip)/2π.f.
Meet je bijv. 7m4A bij 24V/50Hz en Rip=100Ω dan is Lp (24/7m4-100)/314=10H.
Meet ook meteen Vs, want n=Vp/Vs!
Cip is de capaciteit van de wikkelingen en is alleen bij hogere frequenties te meten.
Lsp is de strooi-, lek- of koppel-inductie en een belangrijk kenmerk voor de kwaliteit van de trafo en kan goed met een LCR-meter gemeten worden aan de primaire kant met de secundaire wikkeling kortgesloten.
De koppelingsfactor K=√(1-Lsp/Lp), deze is ≤ 1.
Door alles om te rekenen met de impedantie-factor n² naar de primaire zijde wordt de werking nog duidelijker: Het gaat bij UGT's natuurlijk om de bandbreedte en als je ze zou aansturen met een "keiharde" spanningsbron, valt die in het laag reuze mee, zie OPT1.
De laagdoorlaatfrequentie fl is dan Rip/2π.Lp en hier dus 1,6 Hz (!) maar er loopt dan wel bijna 1A bij 100V, 100W dus.
De hoogaffrequentie fh is n²(Ris+Rls)/2π.Lsp en hier 14,3 kHz.
Een buis is niet bepaald een harde spanningsbron maar een (spanningsgestuurde) stroombron met een hoge Ri, wat wel weer gunstig is voor het hoog, zie OPT2.
Dankzij de opslingering bij 1/2π.√(Lsp.Cip)≈15kHz ligt fh boven 20kHz.
Het laag wordt een stuk slechter en is nu n²(Ris+Rls)/2π.Lp = 143 Hz.
Tot zover het lineaire gedrag van de UGT, maar een ander belangrijk gegeven is de verzadiging (saturation) van de kern, want die zorgt voor veel vervorming en bepaald het uitgangsvermogen.
De kern kan maar een zekere hoeveelheid magnetische fluxdichtheid B (in Tesla) hebben, voor weekijzer maximaal 1 à 2 T.
De magnetische fluxdichtheid of inductie B=Vp/(2π.f.A.Np), waarin A het effectieve oppervlakte van het magnetisch materiaal is.
B is frequentie-afhankelijk en zal bij hoge frequenties wel meevallen, dus bepalen we die bij een lage frequentie van bijv. 50Hz.
Primair is de spanning waarbij de kern in de verzadiging raakt honderden Volts en dus kunnen we deze beter secundair meten.
Je sluit een Variac of flinke (transistor)versterker aan op de secundaire wikkeling (primair open, pas op HV!) en meet de wisselstroom bij 50Hz, als je de spanning opvoert zal de stroom evenredig toenemen.
In ons voorbeeld bedraagt de wisselstroomweerstand Ris+ 2π.f.Ls=1+314*10m≈4Ω en als je er 2V opzet, moet er dus 0A5 lopen, bij 4V 1A enz., maar ineens zal de stroom teveel oplopen en zie je bijv. bij 10V 2A7 ipv. 2A5.
De kern raakt dan verzadigd bij ca. 10V secundair en dus n.Vs=316V primair.
We weten nu meteen het maximale uitgangsvermogen bij 9V in 8Ω bij 50Hz en rekening houdend met het verlies in Ris dus 8W.
Hier zie je wat er gebeurt bij kernverzadiging: Groen is niet verzadigd en blauw wel.