Weidok vroeg:KT88.. kun je wat meer vertellen over dei WK buizeneindtrap ???
Alle technische details staan op pagina 2 van deze thread.
Het tot stand komen van deze versterker is eigenlijk op een heel gekke manier gegaan: ik had nl. een heel ander concept voor ogen, nl. een floating paraphase of long tailed pair fasedraaier, met een kathodevolger driver zodat de koppelcondensatoren naar de roosters van de eindbuizen zouden kunnen vervallen.
In eerste instantie werkte dat ook wel, alleen met veel te veel 2e harmonischen en te weinig amplitude.
Dat is (achteraf gezien) te wijten aan een te lage negatieve voedingsspanning, maar er was (toen voor Breda, en nu naar Beetsterzwaag ook) te weinig tijd om nog weer een trafo extra erbij te plaatsen met negatieve gelijkrichting etc. etc. etc., waarbij het concept dan ook nog getweakt zou moeten worden.
Ook de stroombron met MJE340 voor de ingangstrap is vervallen, en in de plaats daarvan is het dus een soort van Williamson-achtig ding geworden.
Maar dan wel zonder de beperkingen die daaraan kleven, zoals blocking en instabiliteit.
Ik wijt dat zelf aan de andere driverkeuze, de grotere stromen die ik gekozen heb, en het ontbreken van loop feedback.
Even nog vergeten dat ie dus ook de 3 pitters TL va Sietse
(moeilijk aanstuurbaar) tot bloeien bracht Smile
De tap ligt op 2.83 ohm, zijnde 8/ (2 * wortel2), wat te maken heeft met de wikkelmethode.
De trafo's zijn destijds op mijn verzoek gewikkeld door de heer Arie Groothuizen zelf, en dus niet 1:1 vergelijkbaar met wat AE op het moment levert (de amorfe kernen met zilver etc. daargelaten, die heb ik nog nooit geprobeerd of zelfs maar gehoord).
Door het feit dat de KT88s als triodes zijn geschakeld, en de 3 dB tegenkoppeling over de anodes terug naar de kathodes van de driverbuizen, "ziet" de speaker dus een redelijk goede demping, zij het niet zo enorm groot als van de meeste transistorversterkers.
Doordat er geen "loop feedback" is toegepast (dus een lus van uitgang naar ingang), worden eventuele fouten, geintroduceerd door het gedrag van de speaker, ook niet gecorrigeerd.
Dat kan een verklaring zijn voor het feit dat deze versterker op een belastingsweerstand gewoon recht meet, maar op een reactieve belasting als een luidspreker, het laag wat kan accentueren (kleuren, zo je wilt).
E.e.a. is afhankelijk van speaker, ruimte en plaatsing.
Dat is een bewuste keuze van mij, ik zeg er dan ook steevast bij dat mijn versterkers geen "hifi"versterkers zijn, maar "myfi". Mijn versterkers kleuren, dat weet ik, en dat is dus bewust gedaan.
En het kan heel goed zijn dat dezelfde speaker met deze versterker in een * andere* ruimte, het gewoon niet goed doet.
Dat is het nadeel van de "subjectieve" benadering, alhoewel ik aan dat woord een gruwelijke hekel heb.
Wat ik altijd van filtersschema's heb gelezen dat als je
met buizenversterkers een correctie netwerk in je filter
moet bouwen...
Niet een van de boxen die met buizen werden aangestuurd
hadden zo'n correctie netwerk ...
En toch klonk het wonderbaarlijk goed ..toch ???
Dank je

Goed klinken is subjectief, maar als de algehele consensus is dat het goed klinkt, dan klopt de combinatie dus gewoon.
Dat verhaal van een corrigerend netwerk icm. een buizenversterker (welke buizenversterker, elk heeft wel een karakter) heb ik wel vaker gelezen, en ik begrijp niet helemaal waar het vandaan komt.
De uitgangsimpedantie van de meeste buizenversterkers ligt doorgaans hoger dan die van een transistorbroertje, dus de "dempingsfactor" (nare kreet, zegt eigenlijk niets) ligt dan lager.
Het feit dat dat zo is, betekent ook dat het impedantiegedrag (en alles wat daarmee samenhangt) van de luidspreker meer meeweegt dan bij een versterker die een lage Z-out heeft.
Algemeen technisch gezien is dat onjuist of op zijn minst ongunstig.
Immers, we willen van een versterker zien dat ze zich gedraagt als de ideale spanningsbron, dus dat ze bij willekeurig welke belasting, de spanning constant houdt.
Dat kan alleen maar als de Z-out nul is, of zo dicht mogelijk nadert tegen die nul.
Maar de speaker is een motor, met een bepaalde Rdc en een bepaalde spoelwaarde, waarin ook een verliesweerstand zit.
Wil je optimaal dempen, dan zou je theoretisch die verliesweerstand moeten verdisconteren in de uitgangsimpedantie van de versterker, hetgeen resulteert in een *negatieve* uitgangsimpedantie.
Dat betekent dat bij goede afstemming van het geheel, Rverlies uit de vergelijking valt.
Hiermee zijn in het verleden wel proeven gedaan, maar blijkbaar is het concept nooit doorgebroken, want afgezien van Philip's MFB idee (OK, niet helemaal vergelijkbaar), heb ik het verder nergens toegepast gezien.
Ik kan me ook wel voorstellen waarom: de speaker als geheel is geen constante weerstand of impedantie over het gehele frequentiebereik, dus hoe wil je dat corrigeren?
Bovendien houdt negatieve inwendige weerstand in, dat je moet gaan meekoppelen in een versterker, ipv. tegenkoppelen.
Dat leidt in het ergste geval tot oscillaties, maar op zijn minst tot instabiliteit als je niet precies de load weerspiegelt.
Dus wat voor nut heeft zo'n netwerk ?
Of is het dan een beperking van sommige buizenontwerpen... ?
De beperking van de buizenversterker in zijn algemeenheid, de wat hogere uitgangsimpedantie, hoeft geen nadeel te zijn in mijn optiek.
Wel is het zo dat, om een optimale situatie te bereiken mbt. uitgangsvermogen en vervormingsgedrag, de load liefst zo constant mogelijk moet zijn, over het gehele frequentiebereik.
Vroeger gingen alle ontwerpen met buizen uit van de optimale vermogensoverdracht.
Tegenwoordig veroorloven ontwerpers zich wat meer om naar het vervormingsgedrag te kijken, en leveren daar desnoods wat vermogen voor in.
Bij trioden heb je dan het voordeel dat een wat hogere belastingsweerstand (wat zich ook reflecteert aan buiszijde als hogere belastingwaarde, via de uitgangstrafo) resulteert in iets lager vermogen, maar ook in een lager vervormingsgetal.
En laat nu net de voornaamste vervormingscomponent, de derde harmonische, het sterkst dalen bij misaanpassing naar de hoge kant toe!
Vandaar mijn keuze om de tap op 2.83 ohm te leggen, zet ik daar nu een 8 ohm speaker op, dan is de maximaal bereikbare uitgangsspanning (en dus het vermogen) weliswaar lager, maar het vervormings spectrum ligt iha, dan veel gunstiger dan wanneer ik de 8 ohms tap gebruikt zou hebben.
Dat is dus een ontwerpkeuze, met als bijkomend voordeel dat vwijwel iedere belasting is aan te sturen.
Met zwaardere belastingen (zoals de 2 ohm Sostratos meen ik), neemt 3H dus relatief veel toe bij hogere uitsturing, iets wat bij de metingen ook al naar voren kwam (gepost in de thread over de Tumos versterker).
Vandaar het irritante randje in het hoog bij de stemmen in de eerste stint
Ik heb nog meer keuzes gemaakt in dit ontwerp, zoals een bewust uit balans staande fasedraaier, die dus meer 2H genereert.
Een push pull- of balanstrap middelt die grotendeels uit (mits de eindbuizen goed zijn gepaard cq. goed staan ingesteld), maar er blijft natuurlijk altijd wel een restant 2H over.
Door de kleine locale tegenkoppeling over de eindtrap en drivers wordt deze trap iets gelineariseerd, zodat het totale effect is dat de THD tot aan een 10 watt max. 0.2 % is, waarin het aandeel 2H het hoogste ligt.
3H is ook wel aanwezig, maart wordt ietwat gemaskeerd door de relatief hoog liggende 2H.
Daarboven is duidelijk dat bij deze instelling van de buizen, de instelling naar klasse B opschuift, omdat dan echt de 3H naar voren gaat treden.
Maar dan nog, het ontbreken van de loop tegenkoppeling heeft ook tot gevolg dat de THD als geheel relatief hoog ligt (en zeker voor de "hifi" adepten!, maar dat de helling bij nog verder uitsturen, relatief vlak blijft.
Bij zeg 12 of meer dB loop feedback, zou je een scherpere knie zien, waarbij 3H echt omhoogschiet bij ca. 18 watt.
Nu loopt ze rustig omhoog tot een 0.5% bij 15 watt, om tot boven de 2% te komen als je boven de 20 watt komt.
In klasse A zou de trap, met loop feedback, hier niet aan toekomen.
Zonder die loop feedback heb ik 30 watts piek gemeten, waarbij je dan wel puur blokvormige signalen verkrijgt
Ook weer in mijn beleving, is juist dat karakter, het vlakker verlopen van de vervormingslkarakteristiek, plus het vermogen om pieken te verwerken zonder vast te lopen, alsmede het vnl. 2H karakter onder de 10 watt (waar je meestal toch zit) het voornaamste deel van de kleur van de WK versterker.
Voor een "echte" ontwerper (ik ben hobbyist) zou zo'n denkrichting onmogelijk zijn, hij heeft geleerd dat het zo niet kan en niet mag, en doet het dus ook niet.
Ook de markt (en de verkoopafdeling) ziet niet graag getallen van 0.5 % THD, ook al zegt dat *op zich* weinig tot niets, zoals Sander Sassen in de "Tumos" thread ook al meldde.
Het heeft in mijn optiek ook geen enkele zin om die ontwerpers dat in te peperen.
Van Sander, Bruno, Jacco en nog een paar andere weet ik dat ze bovenstaande ook best weten, maar een andere keus maken.
En er zijn ook ontwerpers die die denkrichting niet kennen, niet begrijpen, of er niets van willen weten.
Dat respecteer ik, ik kan geen versterker maken die 0.0005% vervormt, al zou ik het met transistoren misschien wel kunnen.
Ik bedoel eigenlijk dat ik het niet *wil* .
Immers, als je iets met buizen maakt, dan moet dat *voor mij* iets duidelijk anders doen dan een goede transistorversterker, anders heeft het geen enkele zin om buizen te gebruiken.
Toch?
