De WT511-21 uitgangstransformator zit (onder meer?) in de Philips EL3516 bandrecorder. De aansluitingen zijn als volgt (met de contacten naar je toe, en de onderkant van de trafo naar rechts wijzend):
Bovenste rij = anode eindbuis - B+ (voedingsspanning vanuit de voeding) - B++ (voedingsspanning voor de rest van de versterker)
Onderste rij = luidspreker - massa - massa - kathode feedback (de twee massa contacten met elkaar verbinden)
De wikkeling tussen B+ en B++ is een anti-brom wikkeling die Philips (en andere merken) vaak toepaste. De wikkeling tussen de "tweede massa" en "kathode feedback' is bedoeld voor kathode feedback. Bijgaand het schema van een versterker die ik heb gebouwd met deze transformatoren. De twee "massa" contacten zijn daar als één contact in opgetekend. "Luidspreker" is dan de aansluiting waar 5 Ohm bij staat, en "kathode feedback" is dan de aansluiting die naar de kathode weerstand en kathode elco van de EL3N gaat. Je zou jouw transformatoren ook zo kunnen aansluiten.
Ik heb de primaire impedantie (m.b.v. de datasheet van de ECL82 die in de EL3516 werd toegepast) op 7K geschat. De secundaire impedantie voor de luidspreker aansluiting is 5 Ohm. Dus als je een 4 Ohm luidspreker aansluit, kom je op een primaire impedantie van 5K6, wat dicht genoeg bij de 5K2 in jouw schema zit.
Ik schat zo in dat je met de 2 x 270 V van jouw voedingstransformator na de diodes op zo'n 320 V of zelfs nog iets hoger uitkomt. Dat zal aardig in de buurt liggen van wat er na de brugcel in het oorspronkelijke schema aan voltage staat. De spanningsval in jouw uitgangstransformatoren zal echter fors zijn (in mijn versterker is dat 27 V), en waarschijnlijk wat hoger dan in het oorspronkelijke schema. Mede daarom kan het verstandig zijn om R13 wat te verhogen (tot bijvoorbeeld 10K). Waar je op uit moet komen, is dat de anodespanning en schermroosterspanning van de ECL86 ongeveer gelijk zijn.
Ik schat in dat je met R10 ongeveer 30 V moet wegpoetsen. De versterker zal 80 a 90 mA verbruiken. Dan kom je voor R10 uit op: R = V/I = 30/0,09 = 333 Ohm. Kies daarvoor een weerstand die 10 Watt aankan. Maar de precieze voltages hangen van meerdere zaken af dus ik denk dat je R10 beter experimenteel kan bepalen. Start dan met bijvoorbeeld 470 Ohm / 10 Watt en ga al metend vanuit daar verder.
In jouw schema wordt de gloeispanning door middel van de spanningsdeler R14/R15 opgetild naar maar liefst 25 % van B+. Dat verbaast me wat. Op zich is het optillen van de gloeispanning (wisselstroom) gunstig voor brom. Maar het is volgens mij zinloos om tot 25 % van B+ te gaan. Voldoende is dat je net wat boven de hoogste kathodespanning uitkomt, dus optillen tot ongeveer 10 V zou al voldoende zijn. Ik adviseer daarom om R 14 te verhogen tot 330K zodat de gloeispanning tot ongeveer 25 V wordt opgetild.
Groet,
Robert