|
Geachte
lezer(es),
Dit artikel behandeld de theorie
en praktijk van hoornluidsprekers. De tekst is echter overgenomen uit een boek
van 1974. De in dit artikel voorkomende luidsprekerunits zijn dus ook uit die
tijd. Maar aangezien het verschijnsel geluid nu nog net zo
is als toen, is de naam van de units niet zo belangrijk. Wel de eigenschappen
van deze units waarmee voorbeelden worden gegeven. En daar
gaat het uiteindelijk om.
Veel leesplezier en succes bij het
eventueel toepassen van deze theorie.
Sietse
HOORNLUIDSPREKERS
Sinds
lang is het bekend, dat de uitstraling van geluid te verbeteren is met behulp
van trechtervormige hoorns. De eerste grammofoons gebruikten reeds hoorns voor
verhoging van de geluidssterkte.
Het
spreekbereik van een spreker wordt vergroot wanneer de spreker een hoorn
(megafoon) gebruikt. Op stations, in grote theaters en ook bij spraakoverdracht
buiten (sportvelden e.d.) worden veelal hoornluid-sprekers toegepast. Ook in de
HiFi-luidsprekertechniek worden wel hoornluidspre-kers gebruikt en beslist niet
alleen om een hoger rendement te verkrijgen, maar vooral omdat men met goed
geconstrueerde hoornluidsprekers een veel lagere niet-lineaire vervorming
bereikt dan bij gebruik van direct stralende dynamische luidsprekers (zie ook
het artikel hierover op de homepage van dit forum).
1. De
aandrijfluidspreker
Een hoornluidspreker bestaat
uit twee delen: de aandrijfluidspreker (driver) en de eigenlijke trechter of
hoorn. De aandrijver is in principe een dynamische omzetter, waarvan het
membraan via de hals van de hoorn en diens opening aan de voorzijde (mond)
akoestisch is gekoppeld met de omringende lucht.
De aandrijver werkt volgens
het drukkamerprincipe (afb. 27). De door de toegevoerde stroom gestuurde
spreekspoel drijft het membraan — met een heel geringe massa — aan volgens
het gebruikelijke dynamische principe, Het membraan is gegeven in afb. 27
(A1 ). Deze beweging wordt overgebracht naar een
drukruimte (drukkamer), waardoor bij een membraanuitslag α de luchtinhoud
A1●α verschuift. De lucht wordt vervolgens
door een smalle
opening A2 geperst, waarbij de verschoven
luchthoeveelheid A1α in een luchtinhoud
A2● ь wordt
omgezet.
|
Afb. 27. Principe
van een drukkamerluidspreker.
|

|
Door
de verkleinde doorstroomdiameter komt in de smalle opening een verhoogde
stroomsnelheid van de lucht in de verhouding A1/A2 tot stand. Men noemt
dat snelheidstransformatie. Hierdoor ontstaat er een verhoogde
stralingsweerstand van het membraan, waardoor het rendement van de
geluidsuitstraling wordt vergroot. In eerste instantie wordt de
stralingsweerstand vergroot in de verhouding A1/A2
Een te
grote verhouding van A1/A2 is echter ongunstig. Aangezien de lucht samendrukbaar is, loopt de
snelheidstransformatie terug met toenemende frequentie en daarmee de
stralingsweerstand en het akoestische rende-ment. Hoe groter de luchtinhoud van
de drukkamer is, hoe beter dat merkbaar is.
Om die
reden dient de ingesloten luchthoeveelheid zo klein mogelijk te zijn. Door de
membraanbeweging ontstaat drukvermeerdering, waardoor de lucht wordt ge-dwongen
weg te stromen door de opening.
Is
deze opening te klein, dan ontstaat bij de uitstroming wrijvingsverliezen in de
opening en in de hals van de hoorn, waardoor vervormingen door wervelingen
kunnen ontstaan. Bij de bouw van een drukkamer hogetonendrijver moet ook nog met
andere factoren rekening worden gehouden.
|

|
Afb. 28. Looptijdverschillen
bij een drukkamerluidspreker.
a. looptijdverschil van golftreinen
bij uitstraling van een vlak
membraan;
b. compensate van
looptijdverschillen door omweg-elementen;
c. eliminatie
van looptijdverschillen d.m.v. halfcirkelvormig
membraan met golfkanalen.
|
Bij
hoge frequenties is de golflengte zo klein, dat golftreinen, die uitgaan van de
verschillende oppervlakte-elementen van het membraan, verschillende afstanden
afleggen en bij de hoornhals in tegenfase kunnen zijn. Ze zullen elkaar daardoor
tegenwerken (afb. 28a).
Men
voorkomt deze interferentiestoring door het mem-braan halfcirkelvormig te maken
in plaats van vlak en de verschillende golftreinen door smalle kanalen te laten
lopen (afb. 28b, c).
Er
treedt nu geen faseverschil op tussen de verschillende golftreinen, aangezien de
afgelegde weg voor alle gelijk is.
2. Hoorns
Zoals reeds gezegd is het de taak van de hoorn
het kleine membraanoppervlak te transformeren naar de omgevende ruimte, waardoor
de stralingsweerstand en daar-mee het uitgestraalde akoestische vermogen wordt
vergroot.
|
Afb. 29.
Exponentiële trechter
|

|
De
hoorn kan een conische, exponentiele, parabolische of zelfs een
hyperbolisch-exponentiele doorsnede hebben. Het meeste wordt gebruik gemaakt van
de expo-nentiele hoorn (afb. 29).
De
oppervlaktedoorsnede kan zowel rond als rechthoekig zijn. Om tot een optimale
uitstraling te komen, moet het hoornmondoppervlak
|

|
(18) |
zijn, waarbij de
grootste uit te stralen golflengte is.
Een exponentiele hoorn waarvan de doorsnede zich van de begindoorsnede
(doorsnede van de hals) naar de hoornmond
vergroot, volgens de functie
|

|
(19) |
= oppervlaktedoorsnede over afstand
x [m2];
=
oppervlaktedoorsnede van de hals [m2];
= hoornconstante of openingshoek
[l/m];
= afstand tot de hoornhals
[m].
heeft de eigenschap van een
hoogdoorlaatfilter met de onderste grensfrequentie
|

|
(20) |
Lagere frequenties
worden niet meer overgedragen door de hoorn. Gaat men uit van een bepaalde
hals- en mondoppervlakte, dan is de noodzakelijke hoornlengte automatisch
vastgelegd door de waarde van de openingshoek volgens de
formule
|

|
(21) |
de grensgolflengte van de hoorn; c de
geluidssnelheid in de hoorn.
Grotere golflengten dan worden niet overgebracht. Het is het beste
wanneer de hoorn enkele keren langer is dan de grensgolflengte en de mondopening
groter is dan de grootste uit te stralen golflengte.
Een
hoorn die aan deze eisen voldoet, noemt men 'oneindig lang'. Voor de weergave
van lage tonen moeten de afmetingen van zo'n hoorn zeer groot zijn, zodat ze
alleen buiten of in grote zalen (bioscopen enz.) opgesteld kunnen worden (afb.
30).

Afb. 30. Hoornluidspreker voor grote ruimten (Altec).
Doorgaans moet men de hoorn korter maken dan hij zou moeten zijn om de
optimale eigenschappen te hebben. Er ontstaat hierdoor aan de mondopening een
meer of minder sterk geprononceerde reflectie van geluidsenergie. De
stralingsweer-stand wordt hierdoor frequentie-afhankelijk. Dit betekent, dat de
hoorn bepaalde frequenties sterker en andere frequenties zwakker weergeeft.
Gelukkig is het menselijk oor voor niveauverschillen bij lage frequenties — en
daar gaat het hier om — relatief ongevoelig, zodat dit niet zo sterk wordt
waargenomen. Voor de uitstraling van midden- en hoge frequenties, waar het
gehoor juist wel erg gevoelig voor is, kan de hoorn zonder enig probleem lang
genoeg worden gemaakt, waardoor de hoorn voor alle frequenties in het
betreffende frequentiegebied een constante stralingsweerstand
heeft.
3.
Berekening van hoorns
We zullen de verhoudingen van een hoorn nader
verklaren aan de hand van een voorbeeld. Er moet een exponentiele hoorn worden
berekend, waarmee frequenties moeten kunnen worden weergegeven vanaf 70 Hz.
Als lagetonenluidspreker wordt gebruik gemaakt van een normale dynamische
conusluidspreker met een conusdoor-snede van 25 cm. De
grensfrequentie van de trechter moet 60 Hz zijn.
We
gaan uit van formule
(19).
|
of
|
(22) |
De oppervlakte van de hoornhals vinden we aan de hand van de effectieve
mem-braanstraal:
|
|
(23) |
Voor
de berekening van de mondoppervlakte van de hoorn gaan we uit van
formule(18)
|
|
(24) |
is een zo grote mondopening, dat
zo'n hoornluidspreker in normale woningen
niet kan worden geplaatst. We kiezen daarom willekeurig de
kleinewaarde voor de mondopening en maken de opening dus
kleiner, dan hij zou
moeten zijn voor de optimale eigenschappen. Met Hz wordt de
hoornconstante berekend
|
|
(25) |
Nu zijn en bepaald.
Door gebruikmaking van formule (22) vinden we
|
|
(26) |
De noodzakelijke berekening wordt
uitgevoerd met een rekenschuif of nog eenvoudiger met een zakrekenmachine. Voor
de trechterlengte krijgen we
|
|
(27) |
Aangezien onze exponentiele hoorn
frequenties tot ongeveer 70 Hz moet kunnen weergeven, moet bij een mondopening van 0,93
m2 en een halsopening van 0,049 m2 de lengte van de hoorn
minstens 1,33 meter zijn. We zullen later nog ingaan op het feit dat men voor het weergeven van
lage frequenties ook een gebogen hoorn kan toepassen, waardoor men de effectieve
lengte binnen de perken kan houden (gevouwen hoorn).
Voor weergave van midden en hoge frequenties
kunnen 'oneindig lange' hoorns met handzame afmetingen worden gerealiseerd. Van zo'n
hoorn is bijvoorbeeld degrensfrequentie =300Hz en de
kantelfrequentie van het wisselfilter 500 Hz bij 12dB/oktaaf steilheid.
Voor de hoornconstante berekent men:
|
|
(28) |
De
hoornhals . Om een frequentie van 400 Hz nog goed weer te
geven moet de mondopening minstens
|
|
(29) |
zijn. Om de richtingskarakteristiek in horizontale
richting wat groter te maken, is bovendien een gekromde hoornmond een voordeel. Dit
voert praktisch tot een verdubbeling van de berekende mondoppervlakte,
dat wil zeggen moet 0,114 m2
zijn.
De trechterlengte x krijgt
men volgens formule (22)
|

|
(30) |
Zoals reeds werd verteld, kan een
hoornluidspreker ook een parabolische, conische of hyperbolische vorm hebben. Voor de berekening
daarvan kunnen onderstaande formules worden toegepast:
|
Parabolische
hoorn: |

|
(31) |
|
Conische
hoorn: |

|
(32) |
|
Hyperbolische
hoorn: |

|
(33) |
Aangezien deze combinatie speciaal bestemd is
voor weergave in grote ruimten en zalen, waar hoge
frequenties sterk worden gedempt, is het oplopen van de frequentiekarakteristiek
bij hogere frequenties erg gunstig.
Voor de
amateur is de eenvoudiger combinatie, bestaande uit de hoorn JBL 2345 en aandrijver LE 85 (afb. 42) meer aan te
bevelen. De frequentiekarakteristiek is getekend in afb. 43. Het
frequentiebereik loopt van ca. 800 Hz (kantelfrequentie) tot ca. 12 kHz met een maximale afwijking van ± 2
dB.
Voor het weergeven van de hoge frequenties is de diffractie-hoorn 2405
beschikbaar (afb. 44). Deze heeft een frequentiebereik van ca. 8...18 kHz
(afb. 45).
Bij hoge frequenties zijn vrijwel
alle hoorns voor wat betreft hun stralingsverhouding aan elkaar gelijk. Bij lage
frequenties zijn daarentegen merkwaardige verschillen merkbaar, wanneer de
stralingsweerstand van de verschillende hoornvormen bij toenemende frequentie
snel tot de maximale waarde komen. Voor wat dit betreft is de hyperbolische
hoorn het gunstigste; de niet-lineaire vervorming is echter bij een bepaald
ingangsvermogen groter dan bij de andere hoorns. Conusvormige hoorns hebben de
kleinste intermodulatievervorming.
In het aanhangsel van dit boek is
een tabel opgenomen, met de verschillende afmetingen van exponentiele hoorns bij
bepaalde voorwaarden (begindoorsnede DO, onderste grensfrequentie FG,
einddoorsnede DE hoornlengte L en hoornconstante k).
De berekeningen zijn uitgevoerd met
een computer1. Zo heeft bijvoorbeeld een hoorn met een begindoorsnede
van DO = 50 mm, een onderste grensfrequentie FG - 200 Hz en een
einddoorsnede van DE - 559 mm, een hoornlengte van ongeveer 659 mm.
De hoek van de einddoorsnede in het horizontale
vlak is precies 45°. De tabel bewijst niet alleen goede diensten bij de bouw van
exponentiele hoorns, maar kan
ook worden gebruikt bij de kwaliteitsbeoordeling van exponentiële hoorns. Hoornluidsprekers kunnen namelijk alleen goed zijn, wanneer de
afmetingen overeenkomen met de
computerberekeningen. Hoorns die afwijkingen hebben, zullen kleuringen
vertonen en bovendien een slecht rendement hebben.
1 Het computerprogramma werd door de heer Stud. ing. O.
Dorner uitgevoerd, waarvoor ik hem hierbij bedank.
4. Uitvoeringen van
hoornluidsprekers
Goede hoornluidsprekers zijn
beslist kostbaar. Voor de aankoop er van moet men ongeveer evenveel betalen als
voor een complete weergever, die is uitgevoerd met direct stralende
luidsprekers.
Wie zo'n prijs niet kan of wil betalen, die kan
beter helemaal afzien van hoornluidsprekers. Zogenaamd
voordelige uitvoeringen, zoals die geregeld
in de handel zijn, veroorzaken alleen maar ongenoegen. Afb. 31 toont de modellen
HM-250A en HM-450A van Onkyo. De frequentie-karakteristieken zijn afgebeeld in de afb. 32 en
331. Model HM-450A is in het gebied tussen ca. 600 Hz en 8 kHz lineair binnen
± 2,5 dB. De laagst toegevoerde frequentie bij gebruik van een scheidingsfilter
van 12 dB/oktaaf, mag niet onder de 750 Hz komen. Bij gebruikmaking van
een elektronisch wisselfilter, met een steil-heid van 18 dB/oktaaf, kan de onderste frequentie
op 600 Hz worden gelegd.

Afb. 31.
Middentonen-hoornluidspreker HM-250A (links) en HM-450A (rechts) van Onkyo
De grotere
hoorn HM-250A kan vanaf 400...350 Hz en lager worden gebruikt.
Voor weergave van frequenties boven
de ca. 5 kHz moet gebruik worden gemaakt
van een
speciale hogetonenhoornluidspreker.
Afb. 34 laat de hoornluidspreker
811B zien met de aandrijver 806—8A van Altec.
Hoewel de geluidssterkte afvalt boven
de 4,5 kHz (afb. 35) wordt bij hogere
frequenties
nog voldoende energie uitgestraald, zodat men in vele gevallen
geen
aparte hogetonenluidspreker nodig
heeft. In combinatie met een lagetonenluid-
spreker, die een frequentieverloop
heeft tot ca. 800 Hz (wisselfilter met
12 dB/oktaaf) kan een tweeweg
geluidsweergever worden samengesteld.
De in afb. 36
afgebeelde hoornluidsprekers zijn ontwikkelingen van Electro
Voice.
1 De hier getekende karakteristieken hebben
betrekking op metingen van de auteur in een reflectievrije ruimte (dode
kamer).
Het model ST
350 A (links in de afb.) is een hogetonenluidspreker, met een frequentiebereik van ca. 3,5 ...
15 kHz (afb. 37). De middentonenluidspreker SM 120 is volgens hetzelfde principe
geconstrueerd (rechts in de afb.) en vormt een combinatie met de aandrijver 1823M (op de
voorgrond). Het frequentiegebied van deze hoorn loopt van ca. 600 Hz ...
3,5 kHz (afb. 38).
De
hoornstraler HR6040 met aandrijver DH1012 (afb. 39) is met zijn frequentiebereik van 400 Hz (kantelfrequentie) tot ca. 10
kHz geschikt voor grotere geluidssterkte. De relatief lichte hoorn (43,2 cm hoog,
82,2 cm breed, 57,7 cm diep; gewicht 5 kg) bestaat uit geperste glaswol en
heeft een hals met een hyperbolische-exponentiële vorm, die overgaat in een
conusvormige mond.

Afb. 32. Frequentiekarakteristiek van hoornluidspreker HM
250A

Afb. 33. Frequentiekarakteristiek van hoornluidspreker HM
450A

Afb. 34. Hoornluidspreker 811B (Altec).

Afb. 35. Frequentiekarakteristiek van
Altec-hoorn 811B met luidspreker 806-8A
|

|
Afb. 36. Hoornluidspreker
van
Electro-Voice.
Links ho-getonenhoorn ST 350A,
rechts
middentonenhoorn SM 120 met
aandrijfluid-spreker 1823M op de
voor-grond.
|

Afb. 37.
Frequentiekarakteristiek van hogetonenluidspreker ST 350 A

Afb. 38.
Frequentiekarakteristiek van hoorn SM 120 met aandrijfluidspreker 1823M
Een andere interessante uitvoering is de 'Diffractie-hoorn' JBL 2397
(afb. 40). Deze, uit zes exponentiële hoorns opgebouwde hoorn, heeft alleen
horizontaal een trechtervormige verwijding
van de hoorn, terwijl de vertikale opening een constante breedte heeft
van 4 cm. De opening werkt als een spleet, die een gelijkmatig golffront veroorzaakt met tevens een zeer brede
straling in het horizontale vlak, daar de spleetbreedte kleiner is dan de weer te
geven geluidsgolflengte. Bij een spleetbreedte van 4 cm geldt dit voor
frequenties tot ca. 8 kHz. De uitstralingshoek in horizontale richting is
ongeveer 140°; in vertikale richting ca. 60°. Afb. 41 toont de
frequentiekarakteristiek van deze hoorn met de aandrijver JBL 375 en
aanpas-singseenheid
2328.
|

|
Afb. 39a. Hoornluidspreker HR6040 met aandrijfluidspreker DH1012
(Electro-Voice).
|

Frequentie-karakteristiek.Afb. 39b
|

|
Afb. 40. Diffraktie hoorn 2397
(JBL) met
aandrijfluidspreker
375 |

Afb.
41. Frequentiekarakteristiek van Diffraktiehoorn 2397.
5. Akoestische lenzen
Het is iedereen bekend dat men lichtgolven met
behulp van lenzen kan focusseren (bundelen) en verstrooien. Wij interesseren ons
voornamelijk voor verstrooiings-lenzen, die het geluid diffuus maken. Dit soort
akoestische lenzen worden meestal gebruikt in combinatie met hoornluidsprekers. De
werking van alle lenzen komt neer op het feit dat de golven
bij doorgang door de lenzen worden vertraagd ten opzichte van de golfsnelheid in de vrije ruimte.
Dit wordt gerealiseerd door het aanbrengen van vertragingselementen,
bijvoorbeeld in de vorm van kleine schijven, kogels maar ook in de vorm van gaten, die de
golfsnelheid reduceren1. Ook kan men de golven dwingen een omweg te
maken.
Bij gebruik van een verstrooiingslens moet men
er voor zorgen dat de golven in het randgebied van de lens meer worden vertraagd dan
in het midden. In dat geval ijlt namelijk het golffront in het randgebied meer na
dan het golffront in het midden, waardoor 'de gewenste verstrooiing tot stand
komt. Men kan dit bereiken door de lenzen in het midden dunner te maken dan aan de rand. Afb. 46
verduidelijkt de werking.
De afb. 47 en 48 tonen een tweetal akoestische
lenzen. De lens van afb. 47 laat duidelijk zien dat er een systeem van
geperforeerde platen voor de vertraging is toegepast. In afb. 48 wordt gebruik
gemaakt van omloopplaten, waardoor een looptijdvergroting van de geluidsgolven
tot stand komt. Beide lenzen zijn geschikt voor weergave van frequenties boven
de 1200 Hz.
1 De vertraging van de
golfsnelheid is een gevolg van de faseverschuiving van golven die bij
hindernissen worden opgewekt
door de primaire golven. De lezer kan uitgebreide voorbeelden vinden in
natuurkundeboeken.
|

Afb. 42. Hoorn JBL 2345
met aandrijfluidspreker LE85
|

Afb.
44. Hogetonen-diffraktiehoorn JBL
2405 |

Afb. 43.
Frequentiekarakteristiek JBL hoorn met LE 85 aandrijf
luidspreker.

Afb. 45.
Frequentiekarakteristiek diffraktiehoorn JBL 2405.

Afb. 46.
Werkingsprincipe akoestische lenzen.
|

Afb. 47. Akoestische lens met hoorn
van JBL |
Afb. 48. Afbuiglens met hoorn van
JBL. |
|